15 april ’26 – Op 9 maart 2022 besluit een uitwonende zoon de auto van zijn vader te “lenen” om een stukje te gaan rijden. Op zich gaat dat goed maar helaas houdt de zoon zich niet aan de snelheid. De auto wordt geflitst. Als gevolg hiervan ontvangt de vader, als kentekenhouder van de auto, een bekeuring. De vader is het hier niet mee eens en is van mening dat niet hij, maar zijn zoon de bekeuring had moeten krijgen. Deze heeft immers de overtreding begaan en in de auto gereden zonder dat de vader dit wist.
Eerder had de vader de zoon expliciet verboden om in de auto te rijden. De zoon heeft toen de vader niet thuis was, de reservesleutels gepakt en is er met de auto vandoor gegaan. De vader is van mening dat hier sprake was van joyriding, omdat zijn zoon voor korte tijd en zonder expliciete toestemming van hem, de auto heeft gebruikt. Sterker nog, het was de zoon verboden en dat alleen gaat al verder dan de auto gebruiken zonder expliciete toestemming. De zoon zelf is dus verantwoordelijk voor de snelheidsovertreding en ook de boete is dus voor hem.
Feit of fabel: Wanneer er een overtreding tijdens joyriding wordt begaan, dan is de boete voor de kentekenhouder van de betreffende auto.
Wettelijke regeling
Wie uiteindelijk de boete voor een verkeersovertreding krijgt, wordt geregeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
Verkeersregels worden vaak overtreden door de bestuurder. Deze is dan ook degene die de bekeuring krijgt en de boete moet betalen. Maar dan moet de identiteit van de bestuurder op dat moment wel kunnen worden vastgesteld. Dat is niet altijd zo. Bijvoorbeeld als de auto te snel rijdt en wordt “geflitst”. Dan kan de boete ook opgelegd worden aan de persoon op wiens naam het kenteken is ingeschreven, in dit geval de vader. Hierop is een uitzondering: als de kentekenhouder aannemelijk maakt dat een ander tegen zijn wil de auto heeft gebruikt en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, dan is de bekeuring niet voor de kentekenhouder.
De uitkomst
De vader is het niet eens met het feit dat de boete op zijn naam is gesteld en vecht dat aan bij de Kantonrechter. De vader krijgt echter nul op het rekest en gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:3264).
Door het Hof wordt bepaald dat de vader aannemelijk moet maken dat de auto tegen zijn wil werd gebruikt én dat hij dat gebruik redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen. Dat laatste lukte de vader volgens het Hof niet. De zoon beschikte over de reservesleutel en de vader is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij dat niet had kunnen voorkomen.
Overigens voegt het Hof er nog aan toe dat de vader kan proberen de boete te verhalen op zijn zoon. Of dit uiteindelijk ook gebeurd is, weten we niet.
De stelling dat een verkeersboete na joyriding wordt opgelegd aan de kentekenhouder is te stellig en kan worden aangemerkt als Fabel.
Auteur
Hans van der Wouden, senior specialist verzekeringstechniek schade bij de Vereende
